column 6 Spiegelbeeld Magazine

Rust bewaren

Daar ging ze. Mijn buurvrouw werd opgehaald door twee ziekenbroeders gekleed in een witte uitrusting die ik tot vandaag slechts gezien had in science fiction films. De contouren van hun kleding en hun stemmen waren de enige aanwijzing dat het om mensen ging van het mannelijke geslacht. Of ze blank of bruin waren was niet waarneembaar omdat hun lichamen door hun kleding compleet waren afgesloten van de buitenwereld. Ik wilde er nog even iets komisch in zien – in deze vreemde verkleedpartij – maar dat verdween snel toen ik de maskers zag waarmee ze hun gezichten hadden bedekt. Het ontbreken van oogcontact met hen en dat ik geen monden kon zien bewegen, gaf me het vervreemde gevoel te maken te hebben met robots en deed mijn ademhaling stokken. “Ze bedoelen het goed,” bedacht ik, “Ze doen hun werk en daar mogen we ze dankbaar voor zijn.”

Vlak voor ze op de brancard de ambulance werd ingeschoven, gooide mijn buurvrouw me haar huissleutels toe. “Zorg jij voor mijn hond?”.
Dit waren een overbodige vraag en handeling want al jaren hadden we – zoals het goeie buren betaamd – elkaars huissleutel en had ze mij een kwartiertje daarvoor dezelfde vraag al gesteld toen ze mij vanuit haar tuin met bange tranen had toevertrouwd dat ze het corona-virus had.
Behoedzaam raapte ik de sleutelbos op van de straatstenen.
“Is dit ontsmet?” riep ik naar één van de ambulancemannen.
“Nee. Dat zul je zelf moeten doen. En was je handen goed.”
“Hoe dan?”
“Als je geen ontsmettingsmiddel hebt, gooi 'm dan in de vriezer.”

Ik wist dat mijn buurvrouw al enkele dagen met een soort griep op bed lag. Vanmiddag hoorde ik haar ineens vanuit haar tuin mijn naam roepen op een toon die me meteen alarmeerde. Op dat moment stond ik in de keuken te bellen met een vriendin met wie ik vandaag naar zee zou gaan. Zou gaan, want we hadden nu een gesprek over dat dit in deze tijd van corona-crisis wellicht geen goed plan was.
Ik liep mijn tuin in en vanachter één van mijn grote rozenstruiken zag ik mijn buurvrouw in haar tuin: “Peet, ik heb corona en de ambulance komt me zo halen. Kun jij voor H. zorgen?”
Ik schrok niet zozeer van het feit dat ze het corona-virus onder haar leden bleek te hebben, maar vooral van haar angst. Ik zag een bibberende vrouw waarvan ik wist dat ze COPD heeft (een ongeneeslijke chronische longziekte) en nu bang was dood te gaan.
Het was alsof ik een lichaam zag dat niet meer bewoond werd door een ziel maar door een programma, door een systeem van angst.
Met al mijn kracht probeerde ik haar gerust te stellen en dat leek te lukken, maar ik merkte tegelijkertijd dat ik moeite had mijn tranen te bedwingen. Ik had met haar te doen, voelde haar angst en verwarring.

Een half uur hiervoor had ik een chat gehad met een oude vriend waarin we bespraken over hoe het was te leven in een 'lockdown' en hij vertelde hoe blij hij was met zijn nieuwe jonge hond. Mijn laatste woorden aan hem waren dat ik vanwege de lockdown al dagen alleen was maar me niet eenzaam voelde, maar dat het wellicht leuker zou zijn om daarom een hond te hebben.
Mijn wens werd snel daarna vervuld: mijn werkzaamheden en inkomsten lagen stil, maar ik leefde nu samen met een trouwe hond. Moraal: let op wat je jezelf toewenst.

Ps
de buurvrouw mocht na enkele dagen weer naar huis. Het gaat goed met haar.

Psps
Terwijl ik dit schrijf, bevindt Europa zich in een lockdown. Even opgezocht wat dit woord betekent en op de website watbetekentditwoord deze definitie gevonden: “toestand waarin de gevangenen in hun cellen moeten verblijven (in poging orde te herstellen na een oproer of rel)”.